Elektriciteit, erfgoed en fotografie

"Wie kijkt er om naar elektriciteitscabines?" De vraag van Adriaan Linters, voorzitter van de Vlaamse Vereniging voor Industriële Archeologie (VVIA), was blijven hangen. Sommige cabines zijn erg banaal, bakstenen huisjes met een tierlantijntje of twee, andere zijn peperkoeken huisjes, weer andere majestueuze donjons: dit moest mijn onderwerp worden.

Omdat ik aanvankelijk ook het erfgoedverhaal wilde brengen, deed ik via de VVIA een oproep. De reacties leerden me dat je zelden op een eilandje werkt. Zo leende Alfred Florin, voormalig conservator van het Energeia-Museum in Gent, me Danger de mort/Levensgevaar uit, de thesis van Peter Chinitor tot het behalen van het diploma binnenhuisarchitectuur (Sint-Lucas, 1994). Een docent van de Erasmushogeschool in Anderlecht, Peter Van den Bossche, bleek al jaren cabines te fotograferen in zijn vrije tijd, en Bernard Pauwels, coördinator erfgoedcommunicatie in Kortrijk, had weet van een transformatorhuisje uit 1960 dat tegelijk een kaartershuisje was. De architect ervan, J.P. Deweerdt, is bovendien gekend, een zeldzaamheid bij elektriciteitscabines. Via internet kwam ik de modernistische onderstations en elektriciteitscabines van Jan-Albert De Bondt en Geo Bontinck op het spoor. Sommige van deze monumentale gebouwen, in de hiërarchie van het elektrisch netwerk een trap hoger dan de cabines, zijn zelfs beschermd. Ik ging ze fotograferen, maar uiteindelijk zijn dit zo vanzelfsprekend in het oog springende gebouwen dat ze voor mijn opzet minder interessant waren. Naar deze gebouwen werd reeds omgekeken.

En de winnaar is...

Tijdens het fotograferen gebeurde er iets. In het begin wilde ik nog tot een typologie komen van kleine monumentjes, gedocumenteerd met cabinenummer, maatschappij, architect. Ook de distributie van elektriciteit, met de cabines als laatste schakel tussen de producent (Electrabel e.a.) en de consument, wilde ik toelichten. Maar dat leidde me alleen maar af van het beeld, van de fotografie. Ik voelde dat ik ook geen verhaal over bijzondere architectuur wilde brengen, maar juist over onopvallende, vergeten architectuur... Vzw No Monument, waarvan de leden-amateurfotografen mijn beelden mee beoordeelden, dié naam dekt alvast de lading. Het erfgoed- en elektriciteitsverhaal werd dus meer en meer een beeldverhaal. Hoewel het mooi was om in Gent 'Alles Elektrisch' te zien staan op het modernistische onderstation in de Manchesterstraat, of de cabine met driehoekig grondplan langs de Afrikalaan: het leverde niet automatisch sterkere beelden op. Met andere woorden: er is elektriciteit, er is erfgoed, en er is fotografie.

Architectura minor

"Aan een elektriciteitscabine is doorgaans niet veel te zien," zo opende Het Volk ooit een artikel. Toch wel, wil ik met deze reeks tonen. Als ze door een kunstschilder (Injas Devoldere) aangepakt zijn, maar ook als ze dat niet zijn, als je gewoon maar kijkt. Sporen van aanhechtingspunten voor luchtlijnen die niet meer actief zijn, art-decotypografie, luifels in expostijl, cabines met bakkebaarden, vooroorlogse cabines bovenop een paal, kanteeltjes of boomstammen in sintelbeton. 

Iemand die zegt: "nu let ik op die gebouwtjes" geeft de grootste voldoening. De buurman van een elektriciteitscabine in Galmaarden wist niet eens wát ik aan het fotograferen was, hij keek dwars door het gebouwtje heen. Adriaan Linters van de VVIA: "In essentie vind ik die architectura minor interessant omdat die gebouwen én zo belangrijk zijn (anders hebben we geen licht in huis) én omdat niemand ze nog ziet staan. Ook omdat ik weet dat ze vroeger met heel veel zorg ontworpen werden, men wilde iets dat 'mooi' was in zijn omgeving - tegenwoordig is het het functionele dat telt."

Bijkomend 'doel' voor mij als fotograaf is dat de foto's een zekere sfeer zouden oproepen. Bij mij (en wie weet is het aanstekelijk) is dat bijvoorbeeld: in banaliteit zit ontroering, in architectura minor zit ook een ziel, een geschiedenis, een onvoltooid verleden. De beelden zeggen iets over cabines, maar ook iets over een wereld net naast de onze, een eigen gecreëerde, gekadreerde wereld. Ze 'illustreren' niet, maar er gebeurt iets nieuws. Fotografie schept het kader voor iets dat gebeurt of kan gebeuren.

Transformaties

De officiële naam van elektriciteitscabines is 'transformatorhuisjes'. Door middel van transformatoren wordt middenspanning (tot 15.000 volt) omgevormd tot laagspanning (231 of 400 volt), bruikbaar voor de eindgebruikers in de huizen en bedrijven in de buurt. Tweede 'transformatie' is van onzichtbaar naar tastbaar, door de cabines te fotograferen en te verspreiden als postkaart. Nog andere ‘transformaties’: de natuur die een cabine verovert (horror vacui), een cabine als canvas voor een kunstwerk, een rode bakstenen cabine die door het stof uit de porfiergroeve verandert in een witte, de transformatie van een gevaarlijke cabine tot een knus huisje met een waslijn.

In 1882 stelde Thomas Edison in New York de eerste elektrische centrale in werking. Zes dynamo's zorgden voor een spanning van 110 volt en leverden stroom voor 7.200 gloeilampen. Het vermogen van Edisons elektrische centrale bedroeg maar enkele honderden kilowatt en had slechts een bereik van 5 km. Het grote probleem bij transport van elektrictiteit over grote afstand is het energieverlies onderweg. De oplossing kwam er door 'wisselstroom': de mogelijkheid om de stroomspanning naar believen te verhogen of te verlagen door middel van transformatoren. 

Na de Industriële Revolutie kwam er nieuw straatmeubilair en nieuwe architectuur om aan de eisen van de moderne tijd te voldoen. Brandkranen, putdeksels, water- en gasleidingen, elektriciteitscabines. Voor Giovanni Peirs (in Uit klei gebouwd, 1979) zijn de bakstenen cabines de 'laatste monumenten van de Industriële Revolutie'. Na WOII komen er goedkopere metalen en polyestercabines. Voor deze prefabcabines was geen bouwvergunning meer nodig. Omdat deze anonimiteit gaat irriteren, worden in sommige regio's weer uitsluitend gemetste cabines gebouwd, soms in nepbaksteen. De vraag rijst of integratie noodzakelijk camouflage moet betekenen. Zo zijn er cabines die lijken op kapelletjes, fermettes, huizen van de Cité Moderne.

Hoewel elektriciteitscabines levensgevaarlijk zijn, stralen ze vaak iets lieflijks uit. Een voortuintje met gedisciplineerd haagje, nette trapjes of tegeltjes naar de voordeur: “welkom”. De stroomvoerende delen zijn gelukkig niet direct toegankelijk, ze zitten achter verschillende afgesloten deuren. Ook verplicht: betonnen ondergrond en metalen deuren, opdat dieren zich geen weg naar binnen zouden kunnen knagen, verluchting, gevarendriehoek nr. 307 'Gevaarlijke elektrische spanning', regelmatige controles, en een flexibel dak zodat bij een ontploffing het dak en niet de deur wegvliegt.

naamloos--15.jpg